Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AX8814

Datum uitspraak2006-05-23
Datum gepubliceerd2006-06-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers04/860829-05
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 245 Strafrecht, seksueel binnendringen bij iemand beneden 16 jaar. Vrijspraak, want niet afgedwongen. Voorts functioneert de 18 jarige verdachte op cognitief, sociaal-emotineel en seksueel vlak op een aanmerkelijk jonger niveau, waardoor van een ondergeschikt(e) niveau/ positie en dus mate van weerloosheid door het feitelijke leeftijdsverschil niet gesproken kan worden. De kern van het ontuchtbegrip gelegen is in de weerloosheid van de ander. Niet afgedwongen vrijwillig seksueel contact tussen jeugdigen die slechts in geringe mate van leeftijd verschillen is niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Deze zaak dient in dit kader te worden beoordeeld. De rechtbank onderzoekt of het meisje zich ten opzichte van verdachte in een zodanig ondergeschikt(e) niveau/ positie bevond dat zij zich daarom in rede niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken. * Het rapport bevestigt de ontwikkelingsstoornis van verdachte. Er is sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis in combinatie met een autistische stoornis en een zwakbegaafd cognitief niveau van verdachte. Verdachte heeft onder meer een onvoldoende begrip van sociale regels en een gebrek aan initiatief tot het aangaan van contact. Uit dit rapport blijkt dat de werkelijke leeftijd waarop verdachte functioneert, stukken lager ligt dan de net bereikte leeftijd van 18 jaar. * Uit de verklaring van [naam], die zowel aangeefster als verdachte reeds enige jaren kent en als leraar en mentor dicht bij de ontwikkeling van beiden staat, wordt opgemaakt dat verdachte en aangeefster op een ongeveer gelijkwaardig niveau functioneren. Gelet op deze omstandigheden alsmede in aanmerking genomen dat het op de normale wijze leggen van contact of het aangaan van een relatie voor verdachte vrijwel niet mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook in zijn seksuele ontwikkeling als jonger dan "gemiddelde" leeftijdsgenoten moet worden beschouwd. Daarmee wordt het leeftijdsverschil in dat opzicht tussen verdachte en de aangeefster, die destijds 15 jaar oud was, gedurende de ten laste gelegde periode gecompenseerd. Nu niet blijkt van een zodanig leeftijdsverschil dat daaruit reeds voortvloeit dat aangeefster zich ten opzichte van verdachte in een ondergeschikte positie bevond, komt de rechtbank tot het oordeel dat in casu niet gesproken kan worden van door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND Parketnummer : 04/860829-05 Parketnummer : 04/060440-04(tul) Uitspraak d.d. : 23 mei 2006 TEGENSPRAAK VONNIS van de rechtbank Roermond, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen: naam : [verdachte] voornamen : [naam] geboren op : [geboortedatum] te [geboorteplaats] adres : [straatnaam] plaats : [woonplaats] 1. Het onderzoek van de zaak. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 mei 2006. 2. De tenlastelegging. De verdachte staat terecht ter zake dat: hij in of omstreeks de periode van 3 mei 2005 tot en met 22 juni 2005 te Tegelen, in elk geval in de gemeente Venlo, met [het meisje] (geboren [geboortedatum]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meermalen althans eenmaal, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [het meisje], hierin bestaande, dat hij, verdachte, meermalen althans eenmaal, zijn geslachtsdeel in de mond van die [het meisje] heeft gestoken althans gebracht; (art. 245 van het Wetboek van Strafrecht). Voor zover in de tenlastelegging kennelijke schrijffouten of misslagen voorkomen, zijn die in deze weergave van de tenlastelegging door de rechtbank verbeterd. De verdachte is door deze verbetering, zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, niet in de verdediging geschaad. 3. De geldigheid van de dagvaarding. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 4. De bevoegdheid van de rechtbank. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen. 5. De ontvankelijkheid van de officier van justitie. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan dus in de vervolging worden ontvangen. 6. Schorsing der vervolging. Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken. 7. Overwegingen met betrekking tot de bewezenverklaring. De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 9 mei 2006 gevorderd dat het ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat verdachte ten stelligste ontkent dat er seksuele handelingen tegen de wil van het meisje hebben plaatsgevonden. Er was sprake van experimenteergedrag (tussen twee kwetsbare personen in de samenleving), hetgeen verdachte niet zodanig te verwijten valt dat hieraan strafrechtelijk gevolg moet worden gegeven. Teneinde de mate van verwijtbaarheid en strafbaarheid te kunnen beoordelen heeft de raadsman gerefereerd aan passages uit het rapport van de psycholoog drs. K.T.E. Zászlós d.d. 16 november 2004, welk rapport inzake parketnummer 04/060440-04 (tul) is opgemaakt. In dit rapport concludeert de deskundige dat bij verdachte sprake is van een pervasieve ontwikkelingsstoornis (PDD-NOS) naast een zwakbegaafdheids problematiek en dat -voortvloeiend hieruit- verdachte impulsief en onnadenkend gedrag vertoont, terwijl hij ook in zijn sociaal functioneren zeer beperkt is en een gebrek aan inlevingsvermogen heeft. Door zijn contactstoornis lukt het hem ook niet een relatie met een meisje aan te gaan waardoor hij de mogelijkheid heeft om te komen tot adequaat experimenteergedrag. De rechtbank overweegt hieromtrent het navolgende. Artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht stelt handelingen van seksuele aard strafbaar die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm. Uit de wetsgeschiedenis en rechtspraak volgt dat daarbij de kern van het ontuchtbegrip gelegen is in de weerloosheid van de ander. Niet afgedwongen vrijwillig seksueel contact tussen jeugdigen die slechts in geringe mate van leeftijd verschillen zou alsdan niet in strijd zijn met de sociaal-ethische norm (zie bijv. rechtbank Rotterdam 17 november 2005, LJN AU 6716). De seksuele handelingen die tussen verdachte en het 15-jarige meisje [het meisje] hebben plaatsgevonden dienen binnen dit kader te worden beoordeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend gebleken dat de seksuele handelingen -op de momenten dat deze handelingen plaatsvonden- met dwang tegen de zin van aangeefster zijn verricht. De rechtbank dient vervolgens te onderzoeken of zij zich ten opzichte van verdachte in een zodanig ondergeschikt(e) niveau/ positie bevond dat zij zich daarom in rede niet aan de seksuele handelingen heeft kunnen onttrekken. Het rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering van 3 april 2006, opgemaakt door K.J.M. Wijnhoven, bevestigt hetgeen door de deskundige Zaszlos (aan wiens rapport de raadsman heeft gerefereerd) omtrent de ontwikkelingsstoornis van verdachte wordt geschetst. Zo is sprake van een pervasieve ontwikkelingsstoornis in combinatie met een autistische stoornis en wordt in het rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering gewezen op een zwakbegaafd cognitief niveau van verdachte met disharmonische verdeling van de vaardigheden. Verdachte heeft onder meer een onvoldoende begrip van sociale regels en een gebrek aan initiatief tot het aangaan van contact. Uit dit rapport van de William Schrikker Jeugdreclassering blijkt ook dat de werkelijke leeftijd waarop verdachte functioneert, gezien zijn zwakbegaafdheid en zijn stoornis in autistisch spectrum (waardoor sprake is van een zorgelijke sociaal-motionele ontwikkeling) stukken lager ligt dan de ten tijde van de ten laste gelegde strafbare feiten net bereikte kalenderleeftijd van 18 jaar. Ter terechtzitting heeft de deskundige Wijnhoven verklaard dat verdachte op een leeftijd van een 10-jarige functioneert. De rechtbank is van oordeel dat weliswaar niet het exacte niveau waarop verdachte functioneert kan worden vastgesteld, maar dat wel geconcludeerd kan worden dat verdachte op een aanmerkelijk lager niveau functioneert en in zijn algemene ontwikkeling als jonger moet worden beschouwd als andere "gemiddelde" jongeren van 18 jaar. Daarnaast kan uit de verklaring van [naam], die zowel aangeefster als verdachte reeds enige jaren kent en als leraar en mentor dicht bij de ontwikkeling van beiden staat, worden opgemaakt dat verdachte en aangeefster op een ongeveer gelijkwaardig niveau functioneren. Uit de processtukken blijkt voorts dat zowel verdachte als aangeefster speciaal onderwijs volgden en wekelijks bij elkaar in de klas zaten tijdens de les "winkelpraktijk". Gelet op deze omstandigheden alsmede in aanmerking genomen dat het op de normale wijze leggen van contact of het aangaan van een relatie voor verdachte vrijwel niet mogelijk is, is de rechtbank van oordeel dat verdachte ook in zijn seksuele ontwikkeling als jonger dan "gemiddelde" leeftijdsgenoten moet worden beschouwd. Daarmee wordt het leeftijdsverschil in dat opzicht tussen verdachte en de aangeefster, die destijds 15 jaar oud was, gedurende de ten laste gelegde periode gecompenseerd. Nu niet blijkt van een zodanig leeftijdsverschil dat daaruit reeds voortvloeit dat aangeefster zich ten opzichte van verdachte in een ondergeschikte positie bevond, komt de rechtbank tot het oordeel dat in casu niet gesproken kan worden van door verdachte gepleegde ontuchtige handelingen. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. 8. De vordering tot tenuitvoerlegging. De rechtbank is van oordeel dat - nu het ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden verklaard en verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken - omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van een aan de verdachte bij een vroegere veroordeling opgelegde voorwaardelijke straf beslist dient te worden zoals hierna is vermeld. BESLISSING De rechtbank: verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij. Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging. Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Roermond tot tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde bij vonnis van de Kinderrechter te Roermond d.d. 24 januari 2005 in de zaak met parketnummer 04/060440-04 opgelegde straf, ten aanzien waarvan toen was bepaald dat deze voorwaardelijk niet tenuitvoergelegd zou worden. Vonnis gewezen door mrs. L.P. Bosma, D.C.M. Bomans en K.A.J.C.M van den Berg Jeths-van Meerwijk, rechters, van wie mr. L.P. Bosma voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Van de Voort-Visch als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 23 mei 2006.